feuilleton anno 1426

IMG_2937Anno 1426

Hoe dat de zusteren verdreven worden.

de vrouwen uit het Meester Geerts huis worden uit hun huis gezet.

(het vervolg ist gedrukt in een brochure en kan aangeschaft worden voor €0,50 op het festival)

het hele verhaal op het web: hoe de zusters verdreven werden

Inleiding

 voorgeschiedenis:

Er is in 1374 in de Bagijnenstraat, hoek Hagensteeg te Deventer een huis dat in bezit is van de familie Groote. Werner Groote is overleden en zijn zoon Geert heeft het geërfd. Hij is geboren in 1340 en woont veel in het buitenland. Maar hij heeft ook een sterke band met zijn geboortestad en zal heel zijn leven hier weer terug keren. Maar op een gegeven moment hecht hij minder aan aardse goederen. Zijn huis is voor hem te groot. Hij wil een andere bestemming geven aan zijn huis. Dat gebeurt in 1374. Er is een oorkonde van deze overdracht nog in het bezit van het Deventer Archief, in de Athenaeumbibliotheek

Het huis is in 1374 geschonken door Geert Groote aan de magistraten van de Deventer stadsraad. Er zijn restricties aan verbonden. Het huis mag alleen bewoond worden door vrouwen, arme vrouwen, en zij moeten leven in verbondenheid van samen-leven en samen-geloven. Zij moeten in eigen levensonderhoud voorzien.
Er komt een gemeenschap. Deze leefgemeenschap, die samenleven in verbondenheid, groeit uit tot een inspirerende beweging waaruit de moderne devotie is ontstaan.

In 1426 krijgen de vrouwen onenigheid met de stadsraad omdat de Bisschop van Utrecht een interdict uitvaart dat niemand thuis een mis mag houden maar dat iedereen naar de (parochie) kerk moet gaan. En de vrouwen willen dat niet, want zij vinden alleen de paters van het meester Florenshuis (broeders die in gemeenschap samenleven in navolging van de vrouwen) goed genoeg om de mis (de kerkdienst met een eucharistieviering) te houden. In 1426 gebeurt dit allemaal. Een van de zusters heeft het opgetekend later hoe dat allemaal toeging in 1426.

Haar verhaal is hertaald door Nelleke Boonstra. Zij zal de komende maanden telkens een onderdeel hiervan plaatsen op deze website.

 bron: D. de Man hier beginnen sommige stichtige punten van onsen oelden susteren; naar het te Arnhem berustend Handshcrift uitgegeven in 1909. uitg. Martinus Nijhof, ‘s Gravenhage.

Hoe dat de susteren verdreven worden [ 1426]

geschreven door een zuster in het Meester Geertshuis rond 1450.

Deel 1 De zusters worden voor een keus gesteld

1. De opmaat 

En omdat onze lieve Here Jezus Christus, zoals heilige Gregorius zegt, de weg van zijn uitverkorenen hier op het aardrijk omringt met menigerhande verdriet en tegenspoed van deze wereld, opdat zij vanwege tijdelijk geluk onderweg het Komende Koninkrijk waar zij heen moeten reizen, niet zullen vergeten, hierom – in het jaar onzes Heren 1426 – , gedoogde onze lieve Here, dat hier een grote beproeving opstond in de Sticht van Utrecht, waar een interdict op werd gelegd.

[commentaar: Het is kenmerkend voor die tijd dat men tegenslagen interpreteerde als louteringen die van Godswege aan mensen werden toegezonden. Als je te lijden had, zou je er meer glorievol weer uit komen. In het hele verhaal blijkt dat de vrouwen door deze 'louteringen' het vol konden houden, hoewel het soms wel erg zwaar moet zijn geweest. cab]

En de zusters werden van node gedwongen in gehoorzaamheid van de paus ter kerke te gaan, of zij zouden uit de stad moeten trekken. Toen waren zij wonderlijk zeer in bekommering gebracht, want zowel de ene oplossing alsook de andere oplossing was haar onverdraaglijk aan te gaan.

Want wat was het een geestelijke staat en goed gezelschap op te geven, of te doen tegen het gebod van de heilige kerk?

[De bisschop van Utrecht kon interdicten opstellen. Deze golden voor heel het bisdom. Deventer viel onder het bisdom van Utrecht, en ook de stadsmagistraten wilden zich aan deze regels houden om niet in onmin te komen met de Bisschop. De naam van de bisschop was Zweder van Kuilenburg. De zusters hadden de keus: gaan wij in de kerk (waarschijnlijk Mariakerk) eucharistie [mis] vieren of in ons eigen huis met een van de paters van het Meester Florenshuis. (op de plek waar dit jaar (2013)  het Geert Groote huis is verrezen) Ze vonden de priesters van de kerken niet goed genoeg .cab]

Hierom dan, hopende dat zij onopgemerkt, ongemoeid zouden blijven als de overheid van de stad vermoedde dat zij binnen het huis geen missen hadden, zo gingen onze waardige vader heer Johan Hoef en de heer Goedert ten Toorne, pastor van het Florenshuis, de stad uit. En al die tijd dat zij er niet waren leden de zusters eronder dat zij niet naar de mis konden gaan omdat zij geen mis hadden in huis.

[Heer Florenshuis is de woongemeenschap, gesticht door de pastoor Florens Radewijns. Hier woonden Johan Hoef en Goedert ten Toorne. De leefgemeenschap van mannen begon toen Florens nog de priester was van de kapittelkerk Lebuinus. Hij zag de zusters als voorbeeld. Een paar fraters gingen met hem samenleven op de zelfde condities waarop de vrouwen in het Meester Geertshuis samenleefden. Zorg voor eigen inkomsten (zij schreven veel boeken over) en sterk elkaar in geloof en deugdzaam leven. Later kwam er een huis bij: ze vingen arme studenten op, dezen mochten in het Florenshuis  wonen, en er werd van hen gevraagd mee te helpen met het overschrijven van de boeken. De boekdrukkunst was immers nog niet uitgevonden. Het Florenshuis is gelocaliseerd bij de Stromarkt en het Lamme van Dieseplein. Het meester Geertshuis was op de hoek Hagesteeg-Bagijnestraat. cab]

Het was in deze periode van Pasen tot de mis van heilige Johannes op 24 juni , zodat de zusters noch op de Paasdag, noch op Pinksterdag, noch op onze Here Hemelvaartsdag een mis hielden. En hier leden zij zo sterk in en pijnigden haar zielen in lijdzaamheid, en zij ondergingen het omdat ze het ervoeren als was het de hand Gods, die geen verdriet noch ongeneugden laat komen op zijn uitverkorenen dan tot hun bestwil.

[Tijdsaanduidingen werden vaak aangegeven door de christelijke feestdagen. Het is belangrijk voor de zusters om de ouwel te ontvangen die uitgedeeld wordt in de mis - eucharistieviering. Alleen priesters mogen deze uitdelen. De zusters wilden niet naar de mis van de kerk. Waarschijnlijk omdat ze de levenswandel van de daar dienstdoende priesters niet deugdzaam vonden. Veel priesters leefden een luxe leven en hielden zich niet zo aan de regels van deugdzaamheid die toen golden. De zusters vonden het dus belangrijker een ouwel van een deugdzame priester te ontvangen, en  hadden het ervoor over om geen eucharistie te ontvangen: zoals blijkt een zware beproeving! cab]

2. Bezoek van schepenen en raadslieden

En in deze tijd kwamen dikwijls de schepenen en raadslieden bij haar op bezoek en legden zich met aandrang en smeekbeden aan met menige overredende woorden. En ze boden allerlei dingen aan die zij haar geven wilden, veel voordelen, die zij haar wilden bewijzen als ze maar de staat gehoorzaam wilden wezen, en doen als andere goede luiden en ter kerke gaan. Ze beloofden hen ook, dat ze hun gedrag door de vinger wilden zien en ze gunden hen dat ze huizen aan konden kopen en andere dingen, die ze nodig hadden. En mocht het zo zijn dat zij deze dingen doen wilden en zo de staat onderdanig, zo wilden zij hier nog boven ook een wijbisschop laten komen en daar zouden de zusters dan tegen kunnen biechten, en die zou hen dan absolveren van al de zonden, die zij hadden gedaan. Dit en soortgelijke dingen zeiden ze veel tegen hen.

[Het Meester Geertshuis was eigendom van de stad Deventer. Geert Groote had het geschonken aan het stadsbestuur met een aantal voorwaarden. Deze voorwaarden staan in een acte die in het bezit is van de Athenaeumbibliotheek van Deventer. Alleen arme vrouwen mochten er wonen, en ze moesten samenleven in verbondenheid. Ze moesten in eigen levensbehoeften voorzien, dus ze werkten om van te kunnen leven. Bedelen was niet toegestaan. Ook niet afhankelijk zijn van 'subsidie' van de rijken !! Daar kunnen wij wat van leren!
Nu veranderen ook de tijden in Deventer. Het is in 1426 als dit gebeurt en inmiddels is het Meester Geertshuis een gerenommeerd zusterhuis met een uitstraling over grote delen van Europa. Veel zusters die hier gewoond hebben werden uitgezonden, of gingen naar andere steden om daar huizen van zusters des gemeenen leven ten dienste te staan. De raadslieden en schepenen waren dus trots op hun Meester Geertshuis! Het zette Deventer mede op de kaart van de wereldgeschiedenis.

En nu zijn deze zusters ongehoorzaam aan de Bisschop. Dat kunnen ze niet hebben. Want dat zal de stad een slechte naam geven. Bovendien, blijkt verder in het verhaal, er was wel spanning, want hoewel de vrouwen door velen geeerd werden, zoals vaak gaat, ze werden ook door velen verguist. Daar moest het stadsbestuur tussen manouvreren. Vandaar dat ze zo'n moeite doen om de zusters gunstig te stemmen. cab ]

Maar de waarachtige dienaressen Christi, die in de waarheid wandelden dachten dat ze meer schuldig zijn Gode gehoorzaam te wezen dan de mensen. Zijnde hierom als een moederkind uit de heilige kerk, en als van iemand die door de geest geregeerd en gedreven wordt, antwoordden ze standvastig als uit één mond en zeiden:
‘Om geen tijdelijk genot of voordeel, dat ons geboden wordt in deze tijd, willen wij doen tegen het gebod Gods en onze zielen zaligheid. En wij willen liever alle armoede en ongemak aangaan, dan dat wij voldoen zouden aan uw wensen.’

[samenleven in verbondenheid. Eendrachtig staan deze vrouwen voor hun principes. Ze willen deugdzaam leven, ze willen Jezus Christus navolgen, zij willen de wil van God laten klinken. Het moet wel erg geweest zijn met de kerkelijke clericalen, dat deze vrouwen zo standvastig zich willen houden aan hun wens om de eucharistie te ontvangen van een deugdzaam mens, een pater uit het Fraterhuis van Florens Radewijns. Ze ervaren dat ze schuldig zijn aan God als zij ter kerke gaan en de eucharistie ontvangen van een van de priesters van de kerk. De Mariakerk, die naast de grote kapittelkerk met de Lebuinustoren(s) stond was de parochiekerk van de binnenstad, voor de 'gewone burgers'. Ook de Bergkerk '(Nicolaaskerk) was een parochiekerk, maar dat was in een ander deel van de stad, bovendien kwamen daar vaak de handelslieden.  Nicolaaskerk, de kerk voor hen die op reis zijn. De Lebuinuskerk was er voor de clerus. Eendrachtig zijn de vrouwen in hun keuze: wij willen liever alle armoede en ongemak aangaan, dan dat wij voldoen zouden aan uw wensen.' Het omkoopgedrag van de schepenen en de raadslieden wordt radicaal afgewezen! cab]

Toen de schepenen het hoorden dat ze alzo standvast en eendrachtig van willen waren, werden ze uitermate toornig. Want ze hadden gehoopt dat ze toe zouden geven nu ze geen ondersteuning kregen van haar paters, (oversten), die de stad uit waren gegaan.

Omdat ze hadden vernomen dat heer Goedert en heer Johan Hoef, onze vaders, uit de stad getrokken waren, werden de zusters eerst blijde onder elkaar en zeiden: ‘nu wij de hanen kwijt zijn, nu zullen met hennen het wel klaar spelen’; maar haar gebeurde het tegenovergestelde. Want al waren ze geen door God geschapen hanen, het waren nochtans hanen in de innerlijke kracht.

[Een prachtige beeldspraak: de hanen en de hennen. De hanen zijn de sterken, maar de hennen zijn de sterken in innerlijke kracht. Dit is samenleven met elkaar als vrouwen, samenleven in verbondenheid! Heel bijzonder om zo een beeldspraak tegen te komen in de 15e eeuw. Feministes? Courtisanes? In ieder geval sterke vrouwen!]

En omdat ze [de schepenen] geen invloed konden uitoefenen met hun smekingen en beloften, zo kwamen ze met scherpe dreigende woorden en zeiden:
‘omdat gij onze raad noch onze wensen volgen wilt, zo willen wij dat u  in huis blijft, en we staan niet toe de grens ervan te overschrijden. Ge zult het huis niet uit mogen gaan, en niemand zal ook naar u toekomen. Ook zult u aan niemand kunnen verkopen, en niemand zal u werk of iets te doen brengen.’

[vaak wordt in geschriften over Moderne Devoten gezegd dat ze in afzondering leefden. Dat zal gebeurd zijn in die samenlevingsvormen die zich gingen binden aan een kloosterorde, voor de zusters van het gemeene leven gold dat niet. Deze uitspraak van de schrijfzuster is een van de uitspraken die laten zien dat de zusters wel 'de grens van het huis' normaliter overschraden. Ze moeten in eigen levensonderhoud voorzien, ze maken spullen (zuivel waarschijnlijk, in ieder geval spinnen ze garen en hebben ze weefgetouwen, en verkopen het, ze doen handwerk in opdracht van inwoners van de stad (wassen, naaien, etc.) dus het is voor hen een ramp dat ze niet de grens meer mochten ovverschrijden. Het beeld van de ingetogen devote vrouwen is hiermee ontzenuwd. Het waren harde werksters!

Toen ze dit hoorden waren ze bedrukt en niet tevreden. Want de arbeid buitenshuis hadden ze nodig omdat ze daarmee haar levensonderhoud moesten inwinnen. Toen deden ze haar best en bewerkten ze vlas en wol opdat ze binnenshuis wat te doen hadden.

En hoe ze ook bedrukt waren, omdat ze niets konden kopen, zo was daar een goede zuster, ze heet Alijt den Veene. Zij was de zusters zeer tot troost, en moedigde moeder Beerte en moeder Elizebeth aan: ‘Eer dat de zusters verderven zouden, wilde ik nog liever werkelijk een habijt aantrekken en daarmee naar de markt gaan en kopen wat jullie nodig hebben'.

[Er moest wel eten gekocht worden, en dat mocht dus ook niet blijkbaar. Ze moesten een list verzinnen. De zusters van het Meester Geertshuis waren geen nonnen en droegen geen religieuze kleding. Mogelijke uitleg van de uitspraak van zuster Alijt: als ze een habijt aan zou trekken zou het lijken dat ze gehoorzaam was aan de kerk, als non, en zich zou onderschikken aan de bisschop, oftewel, ze zou niet opvallen als zuster van het Meester Geerts huis, men zou denken dat ze non was van een van de kloosters. cab]

3. De zusters onder druk gezet

En deze dingen geschiedden in de vastentijd omtrent Palmpasen, en dezelfde Pasen hadden de zusters geen mis of sacrament. Maar al moesten ze haar onthouden van de ontvangenis van het heilig Sacrament, nochtans liet de goedertieren Here hen van binnen niet ongetroost en niet zonder gave in haar gebeden, terwijl zij deze druk en dit lijden leden. Want ze waren bijwijlen van binnen alzo gesterkt met de genade van God en overladen met tranen, die ze bij zichzelf niet konden verbergen, en ze moesten ergens zich terug trekken, eer dat onze Heer het innerlijke vuur weer geblust had, dat door Hem ontstoken was.

Hierna, op sint Vitus en Modest-avond (15 juni), kwamen hier [in het Meester Geertshuis] twee schepenen, die gezonden waren uit de raad, die de zusters zeggen moesten, dat ze een van twee zouden kiezen: of ze zouden ter kerke gaan en de staat gehoorzaam en onderdanig, of ze zouden het huis en het erf allemaal uitgaan, als ze bij hun standpunt bleven.

En opdat zij niet iemand tegen haar wil wilden overhalen, zo probeerden ze zo te overtuigen dat wie hier wou blijven en doen naar hun bevel, die zou al het goed van de zusters behouden en alles van het erf zou haar ter beschikking staan.

‘Hierop moogt u beraad nemen’ zeiden zij, ‘tot morgen, want zo wil de raad hier weer komen, opdat gij dan weten moogt wat gij antwoorden zult’.

[ Dat de schepenen nog één keer de zusters een kans willen geven in hun huizen te blijven wonen, als ze zich maar aan de regel van de bisschop zouden houden is wel heel tekenend. De zusters van het 'gemeene leven' waren belangrijk voor de stad. Het is een hele gunst wat de schepenen hen allemaal aanbieden om tot verzoening te komen.]

Toen haar deze dingen gezegd waren, werden ze in verbazing zeer bedrukt, wat geen wonder was. Omdat ze waren als schapen zonder herder, in het midden van de wolven, en waren alleen gewapend met een goed geweten. Want ze hadden geen troost van buiten van de mensen, maar alleen mochten zij haar troost en opwekking zoeken in onze lieve Heer, die altoos een bedrukt hart nabij is en allerinnerlijkst wanneer Hij door de profeet spreekt: “Ik ben met hem in beproevingen, ik zal hem verlossen en verheerlijken.

De volgende dag kwamen alle schepenen met de gerechtsbode. En toen de zusters dat vernamen, gingen zij tezamen in het bedehuis en wendden zich met al haar harten tot onze lieve Here – omdat Hij haar troost en toeverlaat was , en de toren van haar kracht – en ze baden tot Hem dat hij haar hulpe wilde wezen, want zij wisten niet wat voor vonnis over haar uitgesproken zou worden.

En wanneer de zusters aldus zich tot God wendden, zo gingen de schepenen over het hele erf en het huis en bezagen alles, en overal moest men de deuren openen, opdat zij konden gaan waar ze dat wilden.

[ de kracht van de verbondenheid van de zusters is sterk. Geloof is een sterke kracht om aan je principes vast te houden. Deze vasthoudendheid van principes kan zowel goedschiks als kwaadschiks uitwerken. Ook 'religieuse' oorlogen werken met dezelfde kracht. Het blijft een riskante zaak om je zo in je principes in te graven. Je ziet dan niet meer helder waar het om gaat, dat is een risico. Denk aan kruistochten, inquisities, heksenvervolgingen etcetera. Dat alles speelde in die tijd af. De zusters zijn vasthoudend. Hun 'ban' was onschuldig, en met hun verzet hebben ze misschien niet zo heel veel schade aangericht. Al zal blijken dat enkele van de zusters hierdoor heel ongelukkig zijn geworden. Zie verder.]

4. Het getimmerde koehuis

Kort daarvoor was ons koehuis getimmerd door iemand die Hermen van Delden heette, zoals ook beschreven staat in het levensverhaal en haar deugden van zuster Stijne van Kalker. Deze goede Hermen had hier twee dochters (Mette en Aleit van Delden) en omdat hij rijk was en ook de zusters gunstig, zo had hij het huis laten timmeren op zijn aansprakelijkheid – maar de grond behoorde de zusters toe – en ook had hij daar de zusters een goede geldelijke steun toe gegeven.

En toen dit huis aldus getimmerd was, zo mochten ze het zoals haar duidelijk bleek, niet gebruiken, want de schepenen wilden het haar niet gunnen. [Het Meester-Geertshuis stond onder gezag van de Schepenen, waar ook  'bepaaldelijk voorgeschreven staat, dat de zusters niet mogen bouwen zonder toestemming -der Schepenen cab]

En toen dan de schepenen aldus overal gingen en bekijken zo kwamen ze ook in het werkhuis, en daar vonden ze een deel van de jongste zusters op de weefstoel zitten werken. En ze zagen daar ook een klein altaar met heiligen, waar tegen de zusters pleegden te bidden, als ze aan het werk gingen. En toen ze dan deze zusters toegesproken hadden, zo vroegen ze haar of zij op dat altaar ook missen plegen te doen. Zij antwoordden: ’Neen’.

Toen was daar een van de schepenen, die zei hen, dat zij ook in het bedehuis zouden gaan. ‘Want’, sprak hij, ‘zo wat de anderen geschiedt, dat zal u ook geschieden’. Toen was daar een van de zusters, wij menen dat het zuster Alijt Cremers was, deze sprak onverveerd tot de schepenen en zei: ‘wat zullen wij in het bedehuis doen, meent u dat gij ons daartoe brengen zult, dat wij ter kerke zullen gaan; daar hoeft gij niet op te hopen.’

Toen werden zij erg boos en zeiden tot elkaar: ‘Horen jullie wel hoe dwars als deze jonge duivels zijn, wat zullen dan de ouden wezen.’ En alsof het schaapkens geweest waren, zo leidden zij deze zusters voor hen uit. En toen zij bij de zusters (in het bedehuis) naar binnen gegaan waren, zo probeerden ze nog met menigerlei redenen aan, dan weer met smeken, dan weer met dreigen.

En wat ze ook bedenken konden, waar ze haar mee buigen mochten, dat legden zij hen voor opdat zij hun wil van haar kregen mochten. Ze zeiden onder andere ook: ‘Is het dat gij ons nu hoort en doet naar onze raad, zo willen wij aldus doen’, en spreidden hun vinger voor de ogen, en spraken: ‘Wij willen u gunnen dat gij het nieuwe huis dat gij daar achter getimmerd hebt, behouden zult, en dat gebruiken naar eigen toedunken’. Ten laatste vroegen ze haar en zeiden: ‘hoe hebt ge u beraden op de dingen, die wij u gisteren ontboden, want de raad wil daar nu een antwoord van weten.’

Toen antwoordden de waarachtige discipelen van Jezus, dat het fundament van haar geestelijke timmerwerk niet op het zand gezet was, want het zou licht anders van deze storm nedergevallen zijn. En ze zeiden eendrachtelijk uit één mond: ‘Wij willen liever alle gebrek en beproeving aangaan om Gods willen, dan dat wij doen zouden tegen ons geweten. Hierom moogt gij met ons doen wat gij wilt, want wij wille niet kerk kerke gaan, noch u  meer gehoorzaam wezen dan God, want wij ontzien geen ongemak en ellende om zijn wil te lijden.  Alsof ze zeggen wilden: ‘Al wordt onze uitwendige mens nu verdrukt, nochtans vertrouwen wij erop dat onze inwendige mens in van dag tot dag vernieuwd  zal worden, zodat wij alle dingen vermogen zullen in Hem die ons sterkt.’  ’Wij weten ook dat hij waarachtig is, die gesproken heeft: “ziet ten eerste het Rijk der Hemelen en zijn Gerechtigheid, en al dat u nooddruftig is, zal u toegeworpen worden”.

5. de vrouwen uit het huis gezet

Toen de schepenen dit antwoord hoorden en merkten dat ze aldus stijf en onoverwinnelijk bleven bij haar opzet, en door geen smeken of dreigen beïnvloed werden, werden zij uitermate toornig. En vermoedende dat wellicht  er wel iemand van de zusters wezen zou die hier gaarne wilde blijven, wat het dat zij het zeggen of uitspreken durfden, en hierom zo wilden zij een lijst te hebben waarin alle zusters namen beschreven stonden.

En toen hen die gebracht werd, zo gingen zij op de plaats zitten[het terrein van het Meester Geertshuis], en riepen iedere zuster tot zich en vroegen zij in het bijzonder, of zij de staat gehoorzaam wilden wezen of niet. En toen zij het dan helemaal onderzocht hadden en niemand vonden die inwilligden, zo werden zij bovenmate verbolgen. Want omdat dit huis onder de schepenen stond, zodat zij daar wat macht over schenen te hebben, en hun nochtans die zusters meer ongehoorzaam waren dan in de andere vergaderingen, dat was voor hen onverdragelijk.
[Hier wordt het woord ‘vergaderingen’ gebruikt, bedoeld zijn de andere huizen van het gemeene leven. Er waren ook begijnhuizen en kleine kloosters voor tertiaressen  in de stad Deventer , de laatste vielen rechtstreeks onder het kerkelijk recht]

En hierom uit groter toornigheid spraken zij en zeiden: ‘Omdat gij aldus recht rebels en weerspannig zijt, en geen reden noch bescheid toelaten wilt, zo gebieden wij u van der staats wegen dat gij allemaal tezamen uit de stad zult trekken bij de opgang van de zon. En gij durft er ook geen hoop op te hebben, dat gij hier weer terug zult komen noch het met eigendommen bezitten. En hierom voor alles wat in de grond is geplant en met een spijker is bevestigd aan de muren, dat zult gij hier laten, maar zo wat gij anders voor zonsopgang naar buiten brengen kunt, moogt ge meenemen’. En hiermee vertrokken zij weer.

En toen de zusters deze dingen hoorden, zo waren ze beide droevig en blijde: droevig, omdat ze ver-ontrecht werden en zonder zaken uitgestoten, en niet wisten waar ze blijven konden. Ze waren ook blijde, want de schepenen hadden haar hier tevoren gedreigd, dat zij haar moeder Beerte en moeder Liezebeth afnemen wilden, zodat de zusters geen hoofd noch steun zouden hebben. En de zusters waren zo droevig dat ze nauwelijks waren te troosten. En de schepenen werden daar niet door geraakt want ze hadden immers een andere weg geboden.
[Moeder Beerte en moeder Lizebeth waren gekozen oudsten van de groep en werden moeder of matersche genoemd. Zij hadden het gezag zoals een moeder overste in een klooster, ze werden democratisch gekozen, de Stadsraad moest wel toestemming geven na de keuze.] 

Hierna bereidde ieder zich tot de arbeid (om het huis leeg te halen cab). En als iemand gezien zou hebben de  vlijtigheid in het uitdragen, de liefdevolle eendrachtigheid en de enigheid van de wil, die onder de gemeenschappelijke zusters gevonden werd, hij zou voorwaar gezegd hebben: ‘dit is het geslacht van hen, die de Here zoeken, zij daar zoeken het aangezicht van de God die Jacob aanbad. Niemand was daar traag noch verzuimende gevonden. Van de minsten tot de meesten waren zij allen willig en bereid en een ieder spande zich in de ander voor te komen in het uitdragen; ja veel meer als of het haarzelf aangegaan was. En dat was geen wonder, want Diegene, die ons en niet Zichzelf gezocht heeft, was de regeerder van haar harten. Bijvoorbeeld was er een goede zuster bij en ze heette Mette Haverorts; zij was alzo zonderling vlijtig in de arbeid van het uitdragen, dat zij op de namiddag een paar nieuwe schoenen stuk liep.

Toen het uitdragen aldus gedaan was, gingen moeder Beerte en moeder Lizebeth [de stad in]om een kar en wagen te huren, omdat ze de goederen mee konden nemen, dat ze naar buiten in veiligheid gebracht en uitgedragen hadden; want de tijd was zeer kort, die haar gegeven was.

Einde van Deel I

(het hele verhaal [zonder de toelichtingen] hoe de zusters verdreven werden)